Schenker

Erik van Brunswijk

In 1566 schenkt Erik II, hertog van Brunswijk-Kalenberg, heer van Woerden, het glas De tempeluitdrijving van Heliodorus aan de Sint-Janskerk te Gouda.
     Van Brunswijk (Hannoversch Münden 1528 - 1584 Pavia) wordt luthers opgevoed, maar gaat als twintigjarige over tot het rooms-katholieke geloof. In de oorlog tegen Frankrijk neemt hij als beroepsmilitair deel aan de slag bij Saint-Quentin (1557) en gijzelt de twee vooraanstaande Fransen, connétable Anne de Montmorency en maarschalk Saint-André. Filips II wil deze gevangenen van hem overnemen; zij betekenen belangrijk wisselgeld bij de vredesonderhandelingen. Omdat de Spaanse koning slecht bij kas zit, geeft hij hem, in zijn hoedanigheid van graaf van Holland, in 1558 de stad en het land van Woerden in pand.[1]



Kunstenaar

Wouter Crabeth 
De glasschilder Wouter Crabeth (Cuijk ca. 1505 - 1589 Gouda) verwerft de opdracht voor De tempeluitdrijving en ontvangt 140 Karolusgulden.[2] Vanaf september 1564 tot begin 1567 werkt hij aan het glas; op 26 januari wordt het drinkgeld aan Crabeth's knechten uitbetaald als teken dat het raam is voltooid.[3]
 
Erik van Brunswijk door
 Wouter Crabeth (1565)
Het carton en glas komen tot stand in directe relatie met Eric van Brunswijk; zo reist Wouter Crabeth een aantal malen af naar Den Haag en het kasteel te Liesveld (bij Schoonhoven) om de werktekening te tonen, het portret van de hertog te 'conterfeiten' en zijn familiewapens te tekenen.[4]


El Escorial

In de schenkersrand van het venster zit Eric van Brunswijk geknield voor een bidstoel. Achter hem staat de H. Laurentius, zijn patroonheilige, met in zijn rechterhand de grill waarop hij zal worden geroosterd.
Het bovenregister stelt De inwijding van de tempel van koning Salomo voor; analoog aan Filips' geesteskind El Escorial, zijn herleving van 'de tempel van Salomo'. Filips II besluit tot de bouw van dit klooster-paleis ter ere van God, die hem in op 10 augustus 1557, de naamdag van de H. Laurentius, de overwinning bezorgt op de Fransen bij de slag bij Saint-Quentin.
H. Laurentius en San Lorenzo del Escorial zijn sinds die dag in naam met elkaar verbonden. Om die reden zou ook het grondplan van het klooster de vorm hebben gekregen van een rooster: het martelwerktuig waarop de heilige is geroosterd. De veldslag bij Saint-Quentin en de schenking van het Koningsglas vinden plaats in hetzelfde jaar, in 1557.

Sint Laurentius vindt inderdaad de marteldood. Hij wordt op 9 augustus 258 n. Chr. onthoofd. Het lichaamsdeel bevindt zich thans in de San Lorenzo in Florence. Vanaf de vierde eeuw n. Chr. ontstaat de legende van het rooster. De bouw van El Escorial is gebaseerd op de studies van Arias Montano en Villalpando over de Tempel van Salomo.



Iconografie

De Tempeluitdrijving
van Heliodorus van Rafaël (links) en Wouter Crabeth's versie (rechts) ruim vijftig jaar later. Met
name het rechter (gekleurde) gedeelte van Rafaël's fresco heeft Crabeth geïnspireerd tot zijn gebrandschilderd raam.
Het onderwerp De tempeluitdrijving van Heliodorus stamt uit het apocriefe bijbelboek 2 Makkabeeën 3, 1-40; met name 25-26, waarin wordt verhaald hoe Heliodorus probeert de schatkist in de tempel van Jeruzalem te roven. De diefstal wordt verijdeld door drie goddelijke afgezanten: een krijger houdt Heliodorus met de voorpoten van zijn paard tegen de aarde gedrukt, terwijl twee andere hem geselen.
     Wouter Crabeth baseert zijn ontwerp op De tempeluitdrijving van Heliodorus (ca. 1511-12) van Rafaël Sanzio (1483-1520), dat zich in de Stanza di Eliodoro van het pauselijk paleis te Vaticaanstad bevindt. Paus Julius II wordt in het fresco afgebeeld als getuige van de roof, hetgeen verwijst naar de onaantastbaarheid van zijn aardse macht om vijanden van de kerk uit God's huis te verwijderen.
     Het glas van Erik van Brunswijk kan als pendant van Rafaël's schilderij worden gezien. Het schenkersregister vermeldt dat de hertog het raam schenkt vanwege de katholieke godsdienst en zo profileert hij zich in 1566, het jaar van de beeldenstorm, als fervent verdediger van het rooms-katholieke geloof.[5]
     Giorgio Vasari vermeldt in zijn Vite (1568) een zekere glasschilder Gualtieri uit Vlaanderen.[6] Recent onderzoek heeft aangetoond dat deze 'Gualtieri di Fiandra' in Florence en omgeving heeft gewerkt. Stilistisch en archivaal onderzoek zal mogelijk kunnen uitwijzen of het hier gaat om Wouter Crabeth. Mocht dit het geval zijn dan heeft Crabeth wellicht Rafaël's Tempeluitdrijving met eigen ogen gezien.
     In de periode 1559 tot 1566 tekent Wouter Crabeth vier cartons voor de Sint-Janskerk; het carton voor het achtste glas is zijn laatste. Uit de virtuoze en losse manier van tekenen mag worden geconcludeerd, dat de kunstenaar in zijn pre-Gouda periode veel ervaring heeft opgedaan. Niet voor niets voert Ignatius Walvis in zijn Goudse stadsgeschiedenis Peter Paul Rubens op, die, toen hij de kerk in 1627 bezocht, enthousiast het thans gerestaureerde carton op de kerkvloer liet uitrollen.[7]
     Na 1566 tot aan zijn overlijden in 1589 heeft Wouter Crabeth - voor zover bekend - zich voornamelijk beziggehouden met reparaties- en onderhoud van de glazen in de Sint-Janskerk.





Staat van het Carton
Het carton De tempeluitdrijving van Heliodorus bestaat uit 11 losse stroken en een arket [8] met een gezamenlijk oppervlakte van ca. 52.5 m². De 12 delen zijn opgebouwd uit 363 vellen (of gedeeltes) van handgeschept papier met formaten van ca. 57 x 43 cm en 13 x 43 cm [9] en zijn met overlappingen van 2-3 cm in horizontale en verticale richting met stijfsel aan elkaar geplakt.
     Aan de achterzijde (soms aan de voorzijde) van de stroken bevinden zich de meeste, oude reparaties van allerlei soorten papier, die als versterking van de randen en versteviging van dunne of ontbrekende delen, dienst deden.

Oude papierresten van de achterzijde van het carton
     Het veelvuldig gebruik van het carton bij glasreparaties heeft ertoe geleid dat overlappingen op veel plaatsen hebben losgelaten. De vellen zijn hierna weer slordig aan elkaar geplakt, waardoor lijnen van het ontwerp verspringen en geen gesloten beeld meer vormen. Ook zijn er talrijke opbollingen - ruimtes die niet weg kunnen - in het papier, wat tot gevolg heeft dat het papier tijdens het in- en uitrollen is gaan kreuken en er zijn vouwen en sleetse plekken ontstaan.



Behandeling

Het vuil, stof en schimmel wordt - vanwege de kwetsbaarheid van de toegepaste technieken - door middel van droogreiniging van de voor- en achterzijde van iedere strook verwijderd.
     Van meet af aan was duidelijk dat de behandeling toegepast bij vorige cartons niet van toepassing kon zijn op het carton van Wouter Crabeth, omdat hij gebruik heeft gemaakt van kwetsbare materialen; met name de witgehoogde gedeeltes zouden een 'natte' behandeling niet doorstaan.[10] Toch is - met grote terughoudendheid - gekozen voor het aanvezelen met papierpap, omdat deze methode in alle gevallen een ideale hechting geeft en zich voorbeeldig organisch verbindt met het originele papier.
     Door de te conserveren strook met de tekeningzijde naar onderen op filtreerpapier te leggen en de achterzijde met gedistilleerd water of met ethanol/water plaatselijk licht in te sprayen, kan met grote precisie en gericht worden gewerkt; het overtollige vocht trekt direct in het filtreerpapier. Geeft het invochten toch teveel risico dan worden oude reparaties op mechanische wijze droog verwijderd met behulp van speciaal gereedschap.
     Ieder stuk of stukje papier dat gebruikt is bij een vroegere reparatie of opknapbeurt, wordt nu losgeweekt. Het resultaat is, dat het originele papier niet langer meer wordt vastgehouden door oneigenlijk materiaal en zich weer kan strekken naar haar oorspronkelijke vorm. Om de discontinuïteit van het ontwerp te herstellen, worden, indien mogelijk, overlappingen losgeweekt en de verschoven lijnen in de tekening gereconstrueerd.
     De verwijderde doublures zijn lompenpapier van uitstekende kwaliteit en een gedeelte wordt opnieuw gebruikt bij de reparatie van het carton. Nauwkeurig wordt bekeken of op het oude papier aantekeningen etc. staan. Indien dit het geval is, wordt zo'n documentje gearchiveerd, opdat er geen relevante informatie verloren gaat.
     De oude papierresten worden in kleine stukjes gescheurd en 24 uur geweekt in gedistilleerd water. Hierna wordt het goedje met een blender tot fijne vezels vermalen en wordt met behulp van deze 'papierpap' - na eerst te zijn voorbehandeld met Tengyo, Japanse papier van 100% Kozo - alle gaatjes, scheuren en ontbrekende delen met een lepeltje ingevuld en hersteld. Om het vocht te verwijderen, worden de aangegoten plekken met een katoenen doek gedept, zó dat de vezels op hun plaats blijven liggen en op vellen filtreerpapier te drogen gelegd. De afwerking aan de voorzijde kan nu beginnen.


Een oogst van vier plastic zakken: papierresten verwijderd van de achterzijde van het carton.  


Afwerking
Eerst worden alle aangegoten stukken een nalijming gegeven met een oplossing van 1.5% gelatine (100% beenderlijm). De stroken worden daarna een voor een op een aparte werktafel gespannen. Dit vlakmaken gebeurt met behulp van Japanse stroken die met stijfselrandje van 2 mm langs de vier zijden van de strook worden geplakt. Na licht te zijn ingevocht strekt de strook zich tijdens het drogingproces; de storende vouwen en plooien verdwijnen. Voor het eerst sinds lange tijd ontrolt zich nu de volle schoonheid van de tekening in al zijn frisheid en oorspronkelijkheid en krijgen we een volledig overzicht.
     De tekening wordt niet bijgewerkt, geretoucheerd. Wat weg is, is weg. Hoogstens worden de ingegoten gedeelten in de toon van het origineel gebracht om het lappendekeneffect te voorkomen.
     Met een zacht potlood wordt het archiefnummer op de achterzijde van de cartonstrook genoteerd en gerold om een kartonnen koker, die omplakt is met een vel van zuurvrij museumkarton (200 grs). Om de cartonstrook wordt een dezelfde vel museumkarton gewikkeld, waarop het corresponderende archiefnummer in Oost-Indische inkt staat genoteerd. Dit pakketje wordt met twee linten dicht gebonden. Tenslotte wordt het archiefnummer met de rotextang op het deksel van de roestvrijstalen bus geplakt. Er is voor iedere strook een bus beschikbaar en allen hebben een eigen plaatsje op 'het flessenrek' in de kluis (onder glas 1). In 1989 werd deze kluis voor dit doeleinde gebouwd; het is geklimatologiseerde ruimte en voldoet aan de eisen die thans museaal worden gesteld.

Vijfmaal Sint-Laurentius (8 B1). Het glasnegatief (foto links) werd in 1933 gemaakt door het Lichtbeelden-Instituut te Amsterdam (thans RKD, Den Haag). De tweede foto laat de achterkant van de strook zien en foto's drie en vier de toestand van voor en na conservering. De vijfde foto toont de vier panelen van het betreffende gedeelte van Glas 8. Eric van Brunswijk wordt op 10 augustus 1528 geboren, de naamdag van de H. Laurentius, die achter hem staat als zijn patroonheilige. In zijn rechterhand houdt hij het rooster, het werktuig waarop hij werd gemarteld. [11]



De vier documentatieboeken, die verslag doen van de conservatie van De Tempeluitdrijving van Heliodorus (1 april maart 2002 t/m 1 maart 2003) bevinden zich in de kluis. Iedere fase en handeling: oude reparaties, scheuren, gaatjes, ontbrekende en later toegevoegde delen etc. zijn per strook op diagrammen aangegeven.


Fotografie

Aan het begin van de conservatie zijn dia's (20 x 25 cm) van de voorkant en van bijna de gehele achterkant van het carton gemaakt door de fotograaf Kees Kuil uit Amsterdam. Aangezien de stroken 8A2, 8B2 en C2 op de tentoonstelling Het geheim van Gouda waren te zien, heb ik gebruik gemaakt van de dia's (13 x 18 cm) van Tom Haartsen uit Ouderkerk a/d Amstel. Na afloop van de behandeling zijn door Kees Kuil opnieuw dia's (20 x 25 cm) gemaakt van de voorkant van de 11 stroken en het arket.
     De dia's zijn ondergebracht in de vierde band van de documentatie. Ook zijn hierin twee cd-rom's opgenomen:

1.  Voor conservatie: totaalopname van het carton door het Lichtbeelden-Instituut te Amsterdam (1933) + gedigitaliseerde dia's van de cartonstroken (Tom Haartsen, 2001 & Kees Kuil, 2003).
2.  Na conservatie: totaalopname van het carton + gedigitaliseerde dia's van de cartonstroken (Kees Kuil, 2003). Verder is deze eindrapportage toegevoegd.

     Na afloop van de vergadering van de begeleidingscommissie over het zevende megaproject (10 februari jl.) bracht dhr R. Crèvecoeur, adviseur Passieve Conservering van het ICN, een bezoek aan mijn atelier in de Sint-Janskerk. Betreffende de materiaalkosten heb ik hem voorgesteld om het percentage van 10% over de begrote uren los te laten en om een bedrag vast te stellen dat is gekoppeld aan ieder carton afzonderlijk. De kosten van het fotograferen, digitaliseren etc. zijn enerzijds dermate hoog en aan de andere kant zo belangrijk voor de ontsluiting van de cartons, dat dit serieuze aandacht verdient. Aan de Mondriaan Stichting heb ik deze kwestie in mijn brief van 30 mei 2000 reeds voorgelegd.



Conclusie
Mocht men in de toekomst een andere visie ontwikkelen over de wijze van conservering van de cartons en het wenselijk achten dat, hetgeen door ondergetekende is verricht, tot de oorspronkelijk staat terug te brengen, dan is dit zonder meer mogelijk. Alle handelingen zijn verricht volgens de internationaal overeengekomen richtlijnen betreffende reversibiliteit.

Wim de Groot
Amsterdam, 1 maart 2003






Noten

1. P.C. Molhuysen, P.J. Blok, Fr.K.H. Kossmann et al. (red.), Nieuw Nederlandsch Biographisch Woordenboek, dl. 8, Leiden 1930, pp. 228-229.
2. SAHM, KASJ 1:9 (1564), p. 69: 'Item (24 september) betaelt Wouter Pietersz. up rekeninge van tglas after Ons lieff Vrouwen altaer twelck hy aengenomen heeft upt behage van den hartoch van Bruynswick, die voet voir 11½ st[uivers], 100 [Rijns]g[u]ld[en].' Met dank aan C.E. Coebergh-Surie voor de transcriptie van deze en volgende archiefposten, in X. van Eck, C. Coebergh-Surie en A.C. Gasten, The stained-glass windows in the Sint-Janskerk at Gouda, The works of Dirck and Wouter Crabeth. Corpus Vitrearum Netherlands, vol. 2, Amsterdam 2002.
3. SAHM, KASJ 1:10 (1567), p. 179: 'Betaelt (26 januari) die dienaers ende knaeps van Wouter Pietersz. glaesscriver tot drynckgelt van tglas van hartoch Erick van Bruynswyck, staende achter Ons lieff Vrouwen altoir an de noortsyde in de oostgevel 1½ g[u]ld[en].'
4. SAHM, KASJ 1:9 (1565), p. 229: 'Noch betaelt (18 februari) Wouter Pietersz. dat hy 3 dagen in den Haech geweest heeft om het glas van den hartoch van Bruynswyck ende hem dat patroon te vertogen tot 10 st. daechs, comt 30 st.'; SAHM, KASJ 1:9 (1565), p. 232: 'Wouter Pietersz. heeft geweest tot Liesvelt over Schoenhoven bij de vorst hertich Eerick van Bruijswijck om hem te conterfeyten en de waepenen te haellen, gevaseert 3 daeghen, daechs 10 st[uivers]. verreijst 9 st[uivers] comt als 1 g[u]ld[en] 19 st[uivers].'
5. ILLVSTRISS(IMVS) ERICVS DEI GRATIA DVX BRVNSWICENSIS ET LVNEBVRGENSIS PRINCEPS IMPERRII BARO / LYSFELDII D(OMI)N(V)S IN WOERDEN &c CATHOLICAE RELIGIONIS ERGO D.D. 1566 (De zeer doorluchtige Erik door Gods genade hertog van Brunswijk en Luneburg, rijksvorst, baron van Liesvelt, heer van Woerden enz. heeft dit glas geschonken vanwege de katholieke godsdienst in 1566).
6. Giorgio Vasari, Le vite de' più eccellenti pittori scultori ed architettori, [...] ultimo volume della terza parte, dall'anno 1550 al 1567, Florence 1568, p. 860: 'E qua in Toscana hâno fatto al Duca di Fioréza molte finestre di vetri a fuoco belliss. Gualteri, e Giorgio Fiamíghi, e valét'huomini, có i disegni del Vasari.'
7. Ignatius W[alvis], Beschrijving der stad Gouda, 2 dln., Gouda-Leiden 1713, dl. 2, p. 84; 'd'Edele Petrus Paulus Rubens, onsterffelijker gedachtenisse by alle konstgezinden, nam sijne reis herwaars om ons konsttoneel te zien. Hy deed eenige tekeningen, onder andere die van Heliodorus, (welk werk hem uitzonderlijk geviel) op den kerkvloer nederleggen.' Rubens bezocht Gouda in 1627. Zie ook [G.A.C.] Blok, 'Een merkwaardig Gouwenaar uit de 17e eeuw', in Bijdragen 'Die Goude' 2, 1940 [1946], pp. 28-45, spec. 35-36.
8. Een arket is het vliegervormige gedeelte in de top van een glasraam. De strook 8 F1, waarop de wapenkwartieren staan getekend, ontbreekt, omdat 8 A1 gespiegeld werd gebruikt.
9. De maten van de stroken worden voor en na de conservatie met elkaar vergeleken. Wat altijd opvalt, is, dat zij na de restauratie langer en breder zijn geworden. Wanneer de stroken achter elkaar worden gelegd, krijgt men één strook met een lengte van ca. 72 m; na de restauratie ca. 73 m.
10. Bij de behandeling van vorige cartons werd melinex (transparante plactic folie met een dikte van 0.023 mm) gebruikt, dat strak over het licht bevochte perspex van de lichtbak, die zich in de werktafel bevindt, getrokken. Hierop werd het te behandelen cartondeel gelegd.
11. De relatie Filips II, El Escorial en de toevoeging van de patroonheilige Sint Laurentius in het glas van Erik van Brunswijk zullen in The Seventh Window door Geoffrey Parker en Juan Rafael de la Cuadra Blanco worden behandeld.